| |
terug
Diagnose
Men dient onderscheid te maken tussen de beoordeling van de ondervoeding op zich, en het beoordelen van een bestaand risico op ondervoeding. Het is meestal mogelijk om met simpele middelen het risico op ondervoeding juist in te schatten.
In verband hiermee werden instrumenten ontworpen die met een combinatie van biologische gegevens en gegevens van lichamelijke afmetingen, naast vragen over medicatie, mobiliteit, dieet, levenswijze en subjectieve waarneming van de eigen voedingstoestand, het risico van ondervoeding bij ouderen tracht in te schatten. De vragenlijst van het Nutrition Screening Initiative (NSI, Washington DC, 1991, cf. Appendix) en de MNA (Mini Nutritional Assessment, Guigoz 1994, cf. Appendix) zijn hiervan voorbeelden. Er is geen enkele parameter die een compleet beeld geeft van de voedingsstatus
(zie tabel hieronder). Een beoordeling van verschillende parameters zal nodig zijn om onderzoek naar zich instellende ondervoeding (vooral de beginnende) te verrichten.
|
Anamnese (voorgeschiedenis ziekte)
|
Significante gewichtsverandering
- 5% in 1 maand
- 10% in 6 maand
|
|
Antropometrische gegevens (menselijke lichaamsafmetingen)
|
- lengte, armlengte
- gewicht, ideaal gewicht
- huidplooidikte (triceps biceps)
- armomtrek (MAC: Mean Arm Circumference)
- armspieromtrek (AMC: Arm Muscle Circumference)
- ‘Body Mass Index’: BMI (kg/m²)
|
|
Labogegevens
|
- serumeiwitten (bvb. albumine, prealbumine)
- 24 uur creatinine-excretie
- 24 uur totale stikstofexcretie
|
stuur
me een mail
vervolg
|
|